Door geëvoceerde responsen te meten (de reactie van het lichaam op een uitwendige stimulus) kunnen vertragingen of onderbrekingen in de gegevensoverdracht in het zenuwstelsel worden aangetoond, die in het geval van MS te wijten zijn aan de beschadiging van de myelineschede, die de zenuwen isoleert. De onderstaande afbeelding toont een typische test met geëvoceerde potentialen, in dit geval met een stimulatiering en een magnetisch veld rond het hoofd.
Evaluatie van het verloop van MS met behulp van geëvoceerde potentialen
De geëvoceerde potentialen worden uitgelokt door uitwendige stimuli. Bij deze tests wordt gemeten hoe snel verschillende sensitieve of sensorische stimuli een meetbare respons uitlokken in de hersenen.
Geëvoceerde potentialen spelen een belangrijke rol bij de diagnose van MS en bij de evaluatie van de ontwikkeling van de ziekte. Daardoor kunnen afwijkingen in de zenuwgeleiding worden opgespoord die niet tot duidelijke symptomen en handicaps leiden. Afwijkingen in de zenuwgeleiding kunnen ook worden opgespoord met behulp van geëvoceerde potentialen als de symptomen al lang in remissie zijn of verschillende jaren eerder optraden.
Elektrische responsen (elektrische potentialen) zijn spanningsverschillen in de menselijke zenuw- en spiercellen die via de huid worden gemeten, bijvoorbeeld tijdens een elektro-encephalogram (EEG). Dit is een diagnostische procedure waarbij de elektrische activiteit wordt gemeten die door de hersencellen wordt opgewekt.
Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende vormen van geëvoceerde responsen:
Visuele geëvoceerde potentialen (VER/VEP): hiermee kan de geleiding van impulsen door de zenuwbanen van de oogzenuw worden gemeten.
De elektroden detecteren elke respons van de hersenen op een optische stimulus. De test wordt verschillende keren herhaald en dan samengeteld, of er wordt een gemiddelde berekend met behulp van een computer. Bij een gezond oog treedt de reactie op een stimulus op na 100 tot 120 milliseconden. Een kenmerkende vertraging van die reactie kan wijzen op de aanwezigheid van MS.
zie afbeelding.
Akoestische of auditieve geëvoceerde potentialen (AER/AEP): hiermee kan de specialist stoornissen opsporen in de sensorische banen van de auditieve of gehoorzenuw, evenals stoornissen in het cerebellum en de centripetale banen.
Via een hoofdtelefoon wordt in elk oor een klikstimulus gegeven en de elektrische potentiaal wordt gemeten in de overeenkomstige occipitale zone. Deze onderzoeksmethode is vooral belangrijk als er voordien geen klinische stoornissen van de hersenfunctie werden vastgesteld.
Zie afbeelding
Somatosensorische geëvoceerde potentialen (SSER/SSEP) meten de gevoeligheid voor aanraking (tactiele gevoeligheid) op specifieke plaatsen van het lichaam, meestal de handen en de voeten, en hun geleiding van impulsen naar de hersenen.
De stimulus wordt toegepast met lichte elektrische impulsen op de enkel boven het verloop van de tibiale zenuw (een tibiale SSER/SSEP) of op de binnenkant van het polsgewricht boven de mediane of de ulnaire zenuw. De meting gebeurt in de overeenkomstige hersenzone.
Soms is het ook nodig om tijdens de impulsgeleiding de respons over het ruggemerg te meten, wat soms een gefractioneerde SSER/SSEP wordt genoemd.
Zie afbeelding.
Magnetische geëvoceerde potentialen verschillen van de hoger besproken soorten geëvoceerde potentialen in die zin dat de zenuwcellen zelf rechtstreeks worden gestimuleerd.
Met behulp van oppervlakkige elektroden worden de spierresponsen in de spieren van een arm of been gemeten, afhankelijk van de arm- of beenfunctie waar de gestimuleerde hersenregio verantwoordelijk voor is. De tijd tussen de stimulatie van de hersencellen en de spierrespons wordt dan gemeten. Er worden ook stimuli toegepast in het gebied van de hals- of lendewervels, om een onderscheid te kunnen maken tussen de geleiding in de hersenen en de geleiding in het ruggemerg.
Zie afbeelding.